
In een opiniestuk in Het Financieele Dagblad geven Raymond Gradus (directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA) en Agnes Mulder (CDA-Kamerlid) vandaag hun visie op de verstoring van de markt door de overheid.
Er is behoefte aan een betere toets of de overheid activiteiten op de vrije markt mag ontplooien
Wet Markt en Overheid laat het aan overheid zelf om te bepalen of deze wel of niet de markt op gaat
In toenemende mate klinken signalen dat de rijksoverheid zich steeds vaker schuldig maakt aan verstoring van de markt. De overheid gaat namelijk op tal van gebieden oneerlijke concurrentie aan met het bedrijfsleven. Veel bedrijven zien hun omzet dalen door deze bijklussende overheid. Dat geldt bijvoorbeeld voor private opleidingsinstituten, die meer en meer concurrentie ondervinden van rijksacademies. Dit soort academies biedt hun opleidingsaanbod niet alleen aan de rijksambtenaar aan, maar inmiddels ook aan gemeenten, provincies en ZBO’s. Tevens zien we in de sfeer van de bedrijfsvoering dat drukkerijen en private koeriersdiensten in toenemende mate concurrentie ondervinden van soortgelijke diensten bij het rijk.
De geschiedenis lijkt zich met deze ontwikkeling te herhalen. In de jaren tachtig was het overheidsbeleid gericht geweest op de gezondmaking van de overheidsfinanciën. Dit noodzaakte ertoe om overheidstaken te verzelfstandigen. Er werd vrij spel gegeven aan publieke organisaties om ook commerciële activiteiten op poten te zetten. In dat tijdsgewricht was er weinig aandacht voor eerlijke concurrentieverhoudingen. Steeds vaker klonk het begin jaren negentig dat dit niet wenselijk was. Er werd door het Paarse kabinet een werkgroep Markt en Overheid ingesteld, die in 1997 met politiek breed gedragen aanbevelingen kwam . De belangrijkste aanbeveling was dat de overheid terughoudend moet zijn met marktactiviteiten, tenzij een beperkt aantal bijzondere rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn. Als een rechtvaardigingsgrond niet aanwezig is, dan was afstoting van de betreffende marktactiviteiten geboden.
Gegeven de politieke steun vond vervolgens een opmerkelijk langdurige discussie plaats over dit rapport. Vakdepartementen, zoals OCW, SZW en VROM, voelden weinig voor een snelle invoering van de aanbevelingen. De SER kwam met een unaniem positief advies in 1999 en drong aan op wetgeving, maar de weerstand bleef. Met name vanuit de VNG richtte het verzet zich tegen het wettelijk vastleggen van de uitzonderingsgronden. Men vond dat de autonomie van gemeenten hiermee werd aangetast.
Dit bracht het kabinet Balkenende IV ertoe om te volstaan met gedragsregels om de juiste kosten in rekening te brengen. Uiteindelijk sleepte de vorige minister van Economische, Maxime Verhagen, deze wet door de kamer en sinds juli 2012 is de Wet Markt en Overheid van kracht. Volgens sommigen is deze wet een slap aftreksel van de oorspronkelijke aanbevelingen. Zo kort na de invoering lijkt het nog wat vroeg om dit reeds nu te concluderen. Zo merkte de Autoriteit Consument en Markt onlangs nog op dat overheidsinstanties meer rekening moeten houden met deze wet. Bovendien geldt tot 1 juli 2014 een overgangssituatie voor bestaande situaties.
Duidelijk is echter wel dat de Wet Markt en Overheid twee beperkingen kent. De eerste omissie is dat de wet geen bijzondere rechtvaardigingsgronden geeft voor marktactiviteiten. Het is aan iedere overheidsinstantie zelf om te bepalen of men wel of niet de markt opgaat. Daarmee is ook het principe gesneuveld dat de overheid terughoudendheid past bij marktactiviteiten. Opvallend is dat dit principe wel deel uitmaakte van de ‘Aanwijzingen inzake verrichten marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst’. Met de invoering van de nieuwe wet is deze regeling komen te vervallen, maar naar wij hopen niet het principe. Het zal duidelijk zijn dat onder de huidige regelgeving niet in alle gevallen de gewenste terughoudendheid aanwezig is. Wij pleiten daarom voor een extra toets om te bepalen of marktactiviteiten door de rijksoverheid ondernomen mogen worden. Het ligt in de reden dat die toets bij de minister voor de Rijksdienst komt te liggen en dat hij op dit punt kritisch meekijkt met zijn collega´s.
De tweede omissie is de inbesteding van activiteiten. Gezien de budgettaire druk gaan overheidsinstanties in toenemende mate over tot het inbesteden van activiteiten, zowel in de sfeer van de bedrijfsvoering als HRM en opleidingen. Dit proces wordt versterkt door de aankondiging van minister Blok dat hij bij de ambitie om het Rijk af te slanken alleen op geld wil sturen. Doordat over de inbestede activiteiten geen fiscale afdrachten, zoals BTW, behoeven te worden afgedragen, lijkt het alsof het departement goedkoper uit is. Maar dit geldt niet voor de samenleving als geheel! Immers de minister van Financiën mist belastingopbrengsten en er zijn meer mensen nodig met hogere kosten. Ook hier past dus uiterste terughoudendheid en lijkt het principieel onjuist dat de overheid steeds meer bedrijfsvoeringtaken en opleidingen zelf verzorgt. Dit is immers geen kerntaak van de overheid en kan heel goed door marktpartijen geschieden. Ook bij de inbesteding ligt het dus voor de hand dat eerst een toets door de minster van Rijksdienst plaatsvindt of deze activiteiten niet door bijvoorbeeld particuliere bedrijven kunnen worden uitgevoerd.
Deze terughoudendheid moet ertoe leiden dat de overheid niet onnodig groot wordt en dat er ruimte wordt gegeven aan het particuliere initiatief. Zaken die minister Blok en in zijn kielzog het hele kabinet zouden moeten aanspreken.